Doel van het programma is om door middel van enkele samenhangende, corpusgebaseerde deelprojecten te komen tot een groter oorzakelijk beeld van de ontwikkeling van het Nederlandse grammaticale systeem in een belangrijke overgangsperiode: die van het vroegnieuwnederlands (1500-1700). Daarbij wordt systematisch in kaart gebracht wat de bijdrage is van diverse bepalende factoren: de taalstructurele ontwikkeling (ontwikkelingen in flexionele morfologie en zinsbouw); de invloed van migratiestromen uit het zuiden en het oosten; het proces van standaardisering. Deze drie typen factoren leveren ieder een verschillend verloop van taalverandering op: bij structureel bepaalde verandering valt een tamelijk gelijkmatige, mogelijk per dialect verschillende ontwikkeling te verwachten; bij migratie van groepen uit de lagere klassen naar Holland valt een golvend ontwikkelingspatroon te verwachten; bij standaardisering valt een eenduidige tendens van uniformering in de richting van de prestigieuze taalvariant te verwachten. In een samenspel tussen deze drie krachten kunnen ze elkaar versterken, maar kunnen ook op diverse manieren tegengesteld aan elkaar zijn, en het effect van deze interactie kan verschillen per te bestuderen taalverschijnsel. Per deelproject wordt het (naar verwachting verschillende) verloop van de veranderingen in kaart gebracht, om zo te komen tot een gedetailleerde beschrijving van en inzicht in de rol van de diverse factoren die de vorming van de standaardtaal hebben bepaald.
