Akratisch handelen wordt gedefinieerd als handelen tegen het eigen oordeel in. De actor heeft een oordeel over wat het beste zou zijn om te doen, maar kiest desalniettemin iets anders. Hoewel de discussie over akrasia zich voornamelijk binnen de wijsbegeerte afspeelt, is akrasia in feite net zo goed een psychologisch probleem als een wijsgerig probleem. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er in de afgelopen veertig jaar een aantal filosofische modellen van akratisch handelen ontwikkeld zijn die een conceptuele analyse van het probleem combineren met een psychologisch verklaringsmodel (Davidson 1969, Mele 1987). In mijn proefschrift wil ik dit soort gecombineerde modellen analyseren, vanuit de vraag wat een dergelijke synthese van psychologische en wijsgerige denkkaders voor implicaties heeft voor de manier waarop akrasia kan worden begrepen. Een van de claims die ik daarbij wil verdedigen is dat de vrijheidsaanname die in vrijwel alle wijsgerige modellen van akrasia centraal staat, niet langer gehandhaafd kan worden wanneer men ook gebruik wil maken van psychologische verklaringen.
