Een veel gebruikte opvatting over het begrip impulsiviteit is dat een onvermogen om ongewenst gedrag te remmen of te inhiberen betreft. De constructvaliditeit van het begrip is echter niet hoog omdat men van mening verschilt over wat het begrip inhoudt, en niet weet wat de biologische basis van het verschijnsel is. Via een combinatie van vragenlijst, gedrags en neurbiologisch onderzoek die in het huidige project wordt voorgesteld, wordt getracht de neurobiologische aspecten van impulsiviteit nader te bepalen en zo een bijdrage te leveren aan de construct validiteit van het begrip. Uit voor onderzoek, dat zowel elders als in het eigen laboratorium is verricht, lijkt de conclusie te kunnen worden getrokken dat de remming van ongewenst gedrag in het zenuwstelsel op minstens twee verschillende manieren kan worden gerealiseerd, namelijik via een neocorticaal ("centraal ") pad en via een mesencephaal ("Perifeer") pad. In dit project worden de hypothesen getoetst dat a) bij personen die hoog scoren op ïmpulsiviteit"met name het "perifere"pad niet optimaal functioneert, b) de werking van het perifere pad verbeterd kan worden door de stof desipramine toe te dienen en c) de werking van desipramine vooral via beinvloeding van het serotoerge systeem gaat. De wetenschappelijke betekenis is dat meer inzicht in de biologische basis van deze persoonlijkheidsdimensie kan worden verkregen. Het praktische belang is dat er een nieuwe therapie voor impulsiviteitsstoornissen, zoals b.v. bij agressieproblematiek en bij ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) uit voort kan vloeien.
